De elektronische maaltijdcheque: de (bredere) wettelijke omkadering en de juridische gevolgen van deze nieuwe ‘betalingsdienst’

In het Belgisch Staatsblad van 23/11/2010 verscheen het Koninklijk besluit tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijdcheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen (hierna ‘KB Elektronische Maaltijdcheque’). Dit KB vormt een uitvoering van de artt. 183 t.e.m. 185 van de Wet van 30/12/2009 houdende diverse bepalingen (B.S. 31/12/2008), die het principe van elektronische maaltijdcheques in het leven roept.

“Vandaag bestaan die maaltijdcheques alleen op papier. En dat betekent flink wat administratieve rompslomp voor de werkgever, de werknemer en de handelaar,” gaf Vincent Van Quickenborne, minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, gisteren nog mee aan De Standaard. Dat de invoering van een systeem van elektronische maaltijdcheques voor alle actoren tal van voordelen heeft van praktische en ecologische – men spreekt over 20 ton (!) papier per jaar (bron: De Tijd) – aard hoeft geen betoog.

Toch is niet iedereen onverdeeld gelukkig met de elektronische variant van de maaltijdcheque: naast een aantal praktische kwesties omtrent de ‘marktdekking van de toepassingen‘ die betalingen met elektronische maaltijdcheques toelaten (vele kleinhandelszaken beschikken niet over de noodzakelijke terminal, zie artikel De Tijd), vrezen enkele werkgevers- en zelfstandigenorganisaties dat de tarieven die de uitgevers van de elektronische maaltijdcheques zouden hanteren nog hoger zullen komen te liggen dan die voor de papieren cheques (zie ook hieronder).  Doch daarnaast is er volgens mij een pertinenter – en in mindere mate in de pers besproken – probleem van juridische aard.

De betaling met elektronische maaltijdcheques – wat volgens de persberichten met een daartoe bestemd betaalinstrument (lees chipkaart) zal gebeuren – dient m.i. immers als een ‘betalingsdienst‘ in de zin van art. 2, 1° van de Wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten (hierna: ‘WBD’) te worden beschouwd. Betalen met elektronische maaltijdcheques betreft immers het uitvoeren van een betalingstransactie via betaalkaart of een soortgelijk instrument (art. 2, 1°, c), tweede streepje WBD). Betalen met elektronische maaltijdcheques valt bovendien niet onder één van de uitzonderingen van art. 4 WBD, dat nochtans wel expliciet de papieren maaltijdcheque van zijn toepassingsgebied uitsluit (art. 4, 7°, c. WBD).

Evenmin valt de elektronische maaltijdcheque – ondanks de m.i. verkeerde interpretatie in de Memorie van Toelichting daaromtrent (MvT, Kamer, Parl. St., Doc 52, 2179/001, p. 28) – onder de uitzondering van art. 4, 11° WBD. Deze bepaling sluit betalingsdiensten met betaalinstrumenten die enkel aangewend kunnen worden binnen een beperkt netwerk of voor de aankoop van een beperkt aantal goederen of diensten  – denk vooral aan tankkaarten of winkelkaarten (bijv. Happy Days kaarten) – buiten het toepassingsgebied van de WBD. Stellen dat het netwerk waarbinnen elektronische maaltijdcheques zullen kunnen worden gebruikt – via de bestaande kaartlezers van handelaren, zie art. 2, 5° KB Elektronische Maaltijdcheque – zou een complete uitholling uitmaken van deze uitzondering.  Dergelijke interpretatie kan evenmin in de WBD worden gelezen. In zijn bijdrage in nr. 226 van het NjW was R. Steennot reeds eenzelfde mening toegedaan.

Dus is de WBD van toepassing op elektronische maaltijdcheques. Met alle gevolgen van dien. Naast de erkenningsvoorwaarden van het KB Elektronische Maaltijdcheques  – dat hier de lex specialis uitmaakt – zal de uitgever van de elektronische maaltijdcheques en de bijhorende betaalinstrumenten eveneens moeten voldoen aan de bepalingen van de WBD – die als algemeen kader voor betalingsdiensten als lex generalis kan worden beschouwd. En dit betekent in eerste instantie voldoen aan art. 2, 2° WBD, dat bepaalt wie in België betalingsdiensten mag aanbieden: kredietinstellingen, instellingen voor elektronisch geld, de NV van publiek recht De Post, de Nationale Bank van België, (in bepaalde gevallen) de federale, regionale en lokale overheden, én – last but no least – de betalingsinstellingen overeenkomstig de wet van 21 december 2009 (B.s. 19/01/2010). Deze laatste wet, die het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen regelt, laat toe dat een onderneming die niet van nature uit betalingsdiensten kan aanbieden, een erkenning krijgt als betalingsinstelling en bijgevolg legaal betalingsdiensten kan gaan aanbieden. Deze erkenning gebeurt via een vergunning uitgereikt door de CBFA.

In eerste instantie zullen m.i. de uitgevers van elektronische maaltijdcheques, naast een erkenning  van de ministers van Sociale Zaken, Werk, Zelfstandigen en Economische zaken (= 4 verschillende departementen) overeenkomstig art. 1 KB Elektronische Maaltijdcheques, ook een vergunning moeten aanvragen als betalingsinstelling bij de CBFA. Doch teneinde deze te verkrijgen moet de kandidaat-betalingsinstelling aan diverse stringente vereisten inzake bedrijfsuitoefening voldoen, en dus mogelijk belangrijke inspanningen en investeringen leveren (vereisten inzake minimumkapitaal, beperkte activiteiten, verstrengde boekhoudkundige verplichtingen, enz.). Het aanbieden in België van betalingsdiensten zonder aan deze vereisten te voldoen – en dus zonder over de nodige vergunning te beschikken – wordt correctioneel gesanctioneerd (art. 51, 1° Wet van 21 december 2009). Bovendien voorziet de Wet van 21 december 2009 in bestuurlijke sancties, waaronder het opleggen door de CFBA van niet onbelangrijke dwangsommen.

Wel kan er per KB aan rechtspersonen die betalingsdiensten wensen aan te bieden, na advies van de CBFA en NBB, onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling van vergunning worden aangeboden (art. 48 Wet van 21 december 2009). In het KB Elektronische Maaltijdcheques is van die optie echter geen gebruik gemaakt, en ik heb er geen kennis van dat dit recent per afzonderlijk KB zou zijn gebeurd. Alleszins staan er nog geen dergelijke vrijstellingen gepubliceerd op de site van de CBFA.

Daarnaast zullen alle beschermingsmechanismen die de gebruiker van betalingsdiensten geniet ingevolge de WBD – doch ook de verplichtingen die op hem rusten ingevolge deze wet – eveneens van toepassing zijn op de gebruikers van elektronische maaltijdcheques. Dus zal de houder van een betaalinstrument voor elektronische maaltijdcheques:

  • zowel voorafgaand aan de aanbieding van de diensten  (art. 12 e.v. WBD) alsook bij elke transactie (art. 18 e.v. WBD) ten volle geïnformeerd moeten worden, wat onder meer inhoud dat hij een overzicht moet hebben van alle uitgevoerde betalingstransacties (art. 19, §1 WBD).
  • zich kunnen beroepen op art. 16 e.v. WBD bij wijzigingen en opzegging van zijn raamcontract;
  • een meldings- en waarborgplicht hebben ten aanzien van de uitgever van elektronische maaltijdcheques (zie voor de inhoud van die termen mijn bijdrage TBS n°5 – Uw rechten en plichten als gebruiker van girale en elektronische betalingsdiensten);
  • moeten kunnen beschikken over een betaalinstrument dat voldoet aan de vereisten van art. 32 e.v. WBD;
  • bij niet toegestane transacties – en mits voldaan te hebben aan zijn meldings- en waarborgplicht – kunnen terugvallen op de aansprakelijkheidsbeperkingen van art. 36 e.v. WBD;
  • enz.

Wat overigens deze informatieverplichting betreft (eerste puntje van de opsomming) kan nog volgende bedenking worden gemaakt: de consument – zie paragraaf hierna – heeft het recht op informatie omtrent iedere transactie, dit op papier of een andere duurzame drager. In de bankpraktijk gebeurt dit met rekeninguittreksels. Conform art. 2, 11° KB Elektronische Maaltijdcheques mogen de kosten van het gebruik van elektronische maaltijdcheques niet ten laste van de werknemer komen, en volgens art. 2, 13° van hetzelfde KB mogen elektronische cheques niet duurder zijn dan papieren versie. Vraag is dan natuurlijk hoe de uitgever van elektronische maaltijdcheques de bijkomende kosten die gepaard gaan met zijn informatieverplichtingen – zeker als de ‘uittreksel’s naar een fysisch adres en dus per post moeten worden verstuurd – zal verhalen. Voor de hand ligt een algemene stijging van de kostprijs (van zowel papieren als elektronische versie), tenzij natuurlijk de door de minister gehoopte concurrentieaangroei dergelijke verhoging zal voorkomen. Daarnaast kan deze (nieuwe) informatieverplichting wel als pervers gevolg hebben dat het elimineren van de ene rompslomp (papieren cheques) er een andere zal doen ontstaan (papieren rekeninguittreksels)…

Voor de gebruiker van maaltijdcheques vormen deze bepalingen hoe dan ook een extra bescherming, die zij thans met de papieren versie niet genieten. Gezien de aard en de doeleinden zelf van de ‘maaltijdcheque’, heerst er m.i. een onweerlegbaar vermoeden dat elke gebruiker van elektronische maaltijdcheques als consument onder de WBD moet worden beschouwd. Professionelen zijn immers bij mijn weten onmogelijk begunstigde van maaltijdcheques. Voor de uitgever van elektronische maaltijdcheques betekent de toepassing van de WBD, naast de verplichte vergunning, een gevoelige verzwaring van zijn verplichtingen (die ongetwijfeld gepaard zullen gaan met belangrijke investeringen).

Conclusie: zowel bestaande als toekomstige uitgevers van maaltijdcheques, die hun producten eveneens onder elektronische vorm wensen aan te bieden, dienen bij het CBFA de nodige vergunning te verkrijgen. Zoniet riskeren zij bestuursrechtelijke of zelfs correctionele sancties. Tenzij natuurlijk er alsnog een KB verschijnt waarbij aan deze uitgevers van elektronische maaltijdcheques vrijstelling van vergunning zou worden verleend. Maar dan nog ‘ontsnapt’ de uitgever enkel aan de vergunningsverplichting; de uitoefeningsverplichtingen van de WBD zijn daarmee niet van de (elektronische) baan.

Over Tom Devolder
Tom behaalde in 2004 aan de Universiteit Gent zijn diploma Rechten, optie sociaal en economisch recht (grote onderscheiding). Bij het afstuderen won hij eveneens de Prijs Hof van Beroep voor beste eindverhandeling. In 2007-2008 volgde Tom de opleiding Postgraduaat Controlling & Accounting aan de Brugge Business School (www.bruggebusinessschool.be; een samenwerking tussen het VPOO en de KHBO). Van juli 2004 tot en met oktober 2009 was Tom als medewerker verbonden aan het advocatenkantoor Declerck Leterme en Partners te Harelbeke. Na een kortstondige periode zijn beroep als eenmanskantoor te hebben uitgeoefend stond hij begin 2010 mee aan de wieg van Bright advocaten. Tom legt zich voornamelijk toe op verbintenisrechtelijke en vennootschapsrechtelijke materies. Ook het financieel en economisch recht, alsook het informaticarecht zijn rechtstakken waarmee hij ervaring heeft. Tom begeleidt ondernemingen niet enkel bij (buiten)gerechtelijke procedures, maar legt zich evenzeer toe op proactieve begeleiding en adviesverlening. Tom is tevens medeauteur van het verzamelwerk Recht en Internet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: