Kortingen (aankondigen) tijdens de sperperiode: toegelaten of niet?

Tijdens de sperperiode is het een steeds terugkerend fenomeen: handelaren proberen met een maximale creativiteit om te springen met de regelgeving inzake de solden en de sperperiode, teneinde vroeger (dan de concurrenten) koopjes te kunnen aankondigen en aanbieden. Zo ook winkelketen ZEB, die volgens De Standaard van 13/12/2010 één van deze dagen aan haar – naar eigen zeggen ‘beste’ – klanten een uitnodiging  richt waarmee ze van woensdag tot vrijdag toegang krijgen tot stevige kortingen in de winkel. Dat het net de winkelketen ZEB is mag niet verwonderen, nu diezelfde keten reeds naar aanleiding van de zomersolden 2010 op succesvolle wijze een stakingsvordering van de FOD Economie voor de Voorzitter van de Koophandel te Brussel heeft afgewend voor een overtreding op de soldenregelgeving (sperperiode).

Maar is het rondsturen van dergelijke ‘uitnodigingen’ verenigbaar met de wetgeving inzake solden?

Algemene regels inzake solden

De Wet op de Marktpratijken en Consumentenbescherming van 06/04/2010 (hierna: ‘WMPC’) voorziet niet in een definitie van ‘solden’. Wel bepaalt art. 27, 2e lid WMPC dat een onderneming slechts de benamingen “Opruiming”, “Solden”, “Soldes” of “Schlussverkauf”, of van enige andere gelijkwaardige benaming (denk maar aan ‘Eindereeks’ of ‘Totale (Uit)Verkoop’), mag aanwenden voor de tekoopaanbieding en verkoop van goederen gedurende de soldenperiode en mits aan de andere voorwaarden inzake solden is voldaan. Deze soldenperiodes zijn de periodes van 3 januari tot 31 januari en van 1 juli tot 31 juli. Wanneer 3 januari of 1 juli op een zondag valt, begint de soldenperiode een dag eerder (art. 27, 1e lid WMPC).

De soldenregelgeving betreft dus in feite een louter verbod voor handelaren om buiten één van deze periodes de benamingen “Opruiming”, “Solden”, “Soldes” of “Schlussverkauf”, of enige andere gelijkwaardige benaming, te gebruiken. Aankondigingen aan de consument dat de onderneming tijdens de komende soldenperiodes diverse artikelen in solden zal verkopen, mag dan wel weer, zonder evenwel van deze toelating oneigenlijk gebruik te maken.

Dit verbod richt zich tot alle ondernemingen. De vroegere beperking onder de Wet Handelspraktijken dat solden enkel toegelaten waren “met het oog op de seizoensopruiming van het assortiment” is niet langer een vereiste. Alle goederen, ook niet-seizoensgebonden, komen bijgevolg in aanmerking voor verkoop via solden. Let wel, enkel ‘goederen’ mogen in solden worden aangeboden; het aanbieden van diensten, onroerende goederen of rechten en verplichtingen in soldenverkoop is niet mogelijk. Wel beperkt de WMPC de goederen die in soldenverkoop mogen worden aangeboden tot die goederen die  de onderneming voorheen te koop heeft aangeboden gedurende minstens dertig dagen en die nog in het bezit zijn van de onderneming bij de aanvang van de solden (art. 28 WMPC). Dus ook voorraad, die reeds sinds maanden niet meer in de winkel staat maar destijds wel gedurende meer dan dertig dagen te koop werd aangeboden, kan via soldenverkoop aan de man worden gebracht. Nieuwe collecties of goederen die gedurende minder dan 30 dagen in de winkel prijken komen – in de mate waarin dit al zou gewenst zijn door de handelaar – niet in aanmerking voor solden.

Sinds de WMPC is het bovendien niet langer verplicht om de soldenverkoop te laten plaatsvinden in de lokalen waar de producten voorheen te koop werden aangeboden. De solden kunnen thans in eender welke locatie worden aangeboden. Dit maakt het dus ook mogelijk om solden voor producten die vóór de solden in de winkel uitgestald stonden, via internet te organiseren.

Tot slot bepaalt art. 29 WMPC dat de gevraagde prijs van het goed in solden minder moet bedragen dan de referentieprijs, zijnde de laagste prijs die de onderneming voor dat goed tijdens voorafgaande de maand heeft gevraagd in dat verkooppunt of via die verkooptechniek (of de laagste prijs die de onderneming voor dat goed in het verleden heeft gevraagd indien het goed zich op een andere locatie bevond). Opeenvolgende prijsverminderingen zijn dus onder de nieuwe regeling perfect mogelijk, zolang de gevraagde prijs maar onder de referentieprijs blijft. Alleen vereist het nieuwe art. 29 WMPC dat bij soldenverkoop de referentieprijs op het goed wordt vermeld, minstens dat er informatie wordt gegeven die de gemiddelde consument toelaat om de referentieprijs onmiddellijk en gemakkelijk te berekenen.

Niet onbelangrijk hierbij is dat het steeds de handelaar is die moet kunnen bewijzen dat hij aan alle voormelde voorwaarden heeft voldaan (art. 30 WMPC).

Sperperiode

De sperperiodes, die ingaan op 6 december en op 6 juni, telkens tot de eerste dag van de eerstkomende soldenperiode, dienen in essentie om andere manieren van aankondiging van prijsverminderingen, vóórafgaand aan de solden, te voorkomen. De WMPC beperkt deze sperperiodes echter tot de sectoren van de kleding, de lederwaren en de schoenen. In deze sectoren mogen handelaren zowel vóór als tijdens de sperperiodes geen enkele vorm van prijsvermindering aankondigen die uitwerking zou hebben tijdens de sperperiode. Evenmin mag de onderneming titels verspreiden die een recht op een prijsvermindering creëren (bijv. kortingsbonnen). Eén belangrijke en gekende uitzondering op de sperperiode zijn de ‘braderieën’: tijdens dergelijke handelsmanifestaties is het, ook tijdens de sperperiode, wel toegelaten om verminderingen aan te kondigen, ook in de sectoren van de kleding, de lederwaren en de schoenen.

Belangrijk hierbij te noteren is dat het een verbod op aankondigingen van prijsverminderingen betreft, en dus niet op prijsverminderingen zelf. Prijsverminderingen tijdens de sperperiode zijn perfect toegelaten (de zogenaamde ‘fluistersolden‘), zolang de handelaar in kwestie deze verminderingen maar niet aan het publiek aankondigt.

In alle andere sectoren dan kleding, lederwaren en schoenen kunnen er tijdens de sperperiode wel prijsverminderingen worden aangekondigd, zolang dit maar niet gebeurt met de benamingen “Opruiming”, “Solden”, “Soldes” of “Schlussverkauf”, of van enige andere gelijkwaardige benaming. Het toepassingsgebied van de sperperiode kan evenwel bij koninklijk besluit worden uitgebreid.

Quid met aankondigingen aan individuele klanten?

Deze problematiek stelt zich vooreerst enkel in de sectoren van de kleding, de lederwaren en de schoenen, aangezien aankondigingen van prijsverminderingen tijdens de solden in andere sectoren toegelaten zijn.

Om op de vraag of het tijdens de sperperiode toegelaten is om aankondigen van prijsverminderingen via een directe mailing aan klanten te verspreiden moet dieper worden ingegaan op de draagwijdte van de term ‘aankondiging’. De Belgische rechtspraak stelt dat er slechts kan gesproken worden van een ‘aankondiging’ indien deze een publiek karakter heeft. Dus publieke/onrechtstreekse aankondigingen (in winkel of bijv. op internet) vallen hier zeker onder. Vraag blijft of ook private/rechtstreekse aankondigingen aan individuele klanten of prospecten een publiek karakter hebben. Welnu, onder gelding van de oude Wet Handelspraktijken hebben diverse rechtbanken, waaronder het Hof van Cassatie, reeds gesteld dat een rechtstreekse boodschap waarin een prijsvermindering wordt aangekondigd aan (minstens) een categorie van klanten of prospecten (het betrof onder meer een geval dat betrekking had op 10% van het bestaande klantenbestand), een publiek karakter heeft en dus eveneens verboden is (Cass. (2e k.) AR P.04.0823.N, 30 november 2004). Deze zaken hadden overigens veel weg van de praktijk die Zeb thans aan de dag legt.

Voorlopige conclusie: ook aankondigingen die een onderneming, die aan de sperperiode onderhevig is, tijdens deze periode doet aan haar klanten per rechtstreekse post, heeft een publiek karakter en is dus verboden overeenkomstig de WMPC.

Maar is de sperperiode wel in overeenstemming met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken?

Doch de hamvraag hier is of de regelgeving inzake soldenverkoop, zoals ‘vernieuwd’ door de WMPC, wel in overeenstemming is met de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (…), kortwet Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Solden, alsook aankondigingen van prijsverminderingen, zijn conform de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken immers  te definiëren als een handelspraktijk.

Eén van de doelstellingen van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken is het invoeren van een volledige harmonisatie tussen de diverse nationale wetgevingen inzake handelspraktijken. Het streefdoel is dus eenzelfde regelgeving in de diverse lidstaten van de EU. Art. 4 van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken verwoordt deze doelstelling en bepaalt dat lidstaten, in hun nationale regelgeving, “geen beperkingen [mogen] opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied”. Deze regel verbiedt de lidstaten om strengere maatregelen vast te stellen of te behouden dan die welke in de richtlijn zijn neergelegd, zelfs wanneer deze maatregelen een hoger niveau van consumentenbescherming beogen te verzekeren. Dit principe noemt men de ‘maximumharmonisatie’. Door het creëren van een dergelijke rechtszekerheid en voorspelbaarheid wenst Europa de positie en rechten van zowel de consumenten als het bedrijfsleven te verbeteren. Ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft reeds in haar VTB-arrest van 23/04/2009 bevestigd dat deze regel van maximumharmonisatie de nationale rechtsordes verbiedt om strengere regels in te voeren.

De winkelketen ZEB heeft, zoals voormeld, reeds eerder op succesvolle wijze deze juridische argumentatie opgeworpen voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel, dit naar aanleiding van een stakingsvordering op verzoek van de FOD Economie. Daarbij oordeelde de rechtbank in zijn vonnis van 28/06/2010 dat, gegeven art. 4 van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, art. 32 WMPC door het invoeren van een sperperiode strengere regels oplegt voor handelspraktijken dan deze toegelaten door de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, met als gevolg dat de Belgisch regelgeving inzake sperperiodes in strijd is met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. En bepalingen die in strijd zijn met het Europees recht, moeten door de Belgische rechter buiten toepassing worden gelaten. De stakingsvordering van de FOD Economie werd dus afgewezen.

Tegen deze afwijzende beschikking van de Rechtbank van Koophandel te Brussel werd door de FOD Economie hoger beroep aangetekend. Volgens de Twitter-info van de Minister van Economie himself werd deze zaak in hoger beroep gepleit op 06/12/2010. Uitspraak volgt dus wellicht nog dit jaar. Mede gezien het opzet van de maximumharmonisatie die de Richtlijn Oneerlijke nastreeft en de interpretatie daarvan door het Hof van Justitie, zijn de kansen zeer groot dat het Brusselse Hof van Beroep het vonnis van de Rechtbank van Koophandel bevestigt. Wat meteen ook het einde zou betekenen van het juridisch fenomeen van de ‘sperperiode’.

Uiteindelijke conclusie: wat de winkelketen ZEB thans doet is strikt gezien op grond van de tekst van de WMPC verboden, doch op grond van de Richtlijk Oneerlijke Handelspraktijken toegelaten. Mede gezien de hiërarchie tussen wet en richtlijn primeert deze laatste, en valt het dus te verwachten dat weldra het Hof van Beroep te Brussel de sperperiode definitief opdoekt (en dus het standpunt van ZEB bevestigt). Evident houd ik u op de hoogte!

Over Tom Devolder
Tom behaalde in 2004 aan de Universiteit Gent zijn diploma Rechten, optie sociaal en economisch recht (grote onderscheiding). Bij het afstuderen won hij eveneens de Prijs Hof van Beroep voor beste eindverhandeling. In 2007-2008 volgde Tom de opleiding Postgraduaat Controlling & Accounting aan de Brugge Business School (www.bruggebusinessschool.be; een samenwerking tussen het VPOO en de KHBO). Van juli 2004 tot en met oktober 2009 was Tom als medewerker verbonden aan het advocatenkantoor Declerck Leterme en Partners te Harelbeke. Na een kortstondige periode zijn beroep als eenmanskantoor te hebben uitgeoefend stond hij begin 2010 mee aan de wieg van Bright advocaten. Tom legt zich voornamelijk toe op verbintenisrechtelijke en vennootschapsrechtelijke materies. Ook het financieel en economisch recht, alsook het informaticarecht zijn rechtstakken waarmee hij ervaring heeft. Tom begeleidt ondernemingen niet enkel bij (buiten)gerechtelijke procedures, maar legt zich evenzeer toe op proactieve begeleiding en adviesverlening. Tom is tevens medeauteur van het verzamelwerk Recht en Internet.

2 Responses to Kortingen (aankondigen) tijdens de sperperiode: toegelaten of niet?

  1. Pingback: Zeb kondigd prijsverminderingen aan tijdens de sperperiode. « Bright Insights

  2. Pingback: Zeb kondigt prijsverminderingen aan tijdens de sperperiode « Bright Insights

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: