Nieuw wettelijk kader inzake de (hybride) elektronisch aangetekende zending

In de ‘Oudejaarseditie’ van het Belgisch Staatsblad van 31/12/2010 (2e editie) verscheen de Wet van 13/12/2010 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector en tot wijziging van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.

De hoofdmoot van deze wet heeft betrekking op het scheppen van een nieuw juridisch kader inzake het aanbieden van postdiensten teneinde de volledige liberalisering van de postmarkt te bewerkstelligen. Daarmee zet België op de valreep – de uiterste omzettingsdatum was 31/12/2010 – de Derde Europese Postrichtlijn (Richtlijn 2008/06/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008) om in Belgisch recht.

Van de gelegenheid heeft de wetgever gebruik gemaakt om diverse wijzigingen aan de Wet van 09/07/2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten (hierna: Wet Certificatiediensten of WCD) aan te brengen met het oog op het creëren van een (nieuw) wettelijk kader inzake het aanbieden van (hybride) elektronische aangetekende zendingen.

Wijzigingen Wet Economische Overheidsbedrijven

Vooraleer dieper in te gaan op de nieuwe regelgeving inzake elektronische aangetekende zendingen is het nuttig om een aantal termen inzake de klassieke, papieren aangetekende zending kort worden toegelicht. De regelgeving inzake papieren aangetekende zendingen was vóór de wet van 13/12/2010 reeds (deels) opgenomen in de Wet van 21/03/1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (hierna: Wet Economische Overheidsbedrijven).

Door art. 5 van de wet van 13/12/2010 werden er in het art. 131 Wet Economische Overheidsbedrijven ook een aantal nieuwe definities ingelast en een aantal bestaande definities verwijderd. De hierna volgende relevante definities bestonden reeds onder het oude artikel 131 Wet Economische Overheidsbedrijven:

art. 131, 9° Wet Ecomonische Overheidsbedrijven. ‘Aangetekende zending’: een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico’s van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde;

Wel nieuw is dat art. 7 van de Wet van 13/12/2010 een nieuw art. 131, §2 invoegt in de Wet Economische Overheidsbedrijven dat bepaalt dat “aan alle verplichtingen opgenomen in deze en alle andere Belgische wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet” – dit is quasi alle Belgische burgerrechtelijke en handelsrechtelijke wetgeving; zie art. 74 en 77 G.G.W. voor materies die niet tot het toepassingsgebied van art. 78 G.G.W. behoren – en “hun uitvoeringsbesluiten die betreffende de aangetekende zendingen de woorden ‘ter post’, ‘bij de post’, ‘per post’ of elke andere soortgelijke verwijzing bevatten” is voldaan:

  • wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 131, 9° van de Wet Economische Overheidsbedrijven of
  • wanneer gebruik wordt gemaakt van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten.

Dit nieuwe art. 131, §2 bevat dus een (eerste) impliciete wettelijke gelijkschakeling (of ‘assimilatie’ om de terminologie van de WCD te hanteren) tussen de gewone aangetekende zending en de hierna besproken elektronische aangetekende zending.

De verplichtingen waaraan de aanbieders van postdiensten moeten voldoen – en dus onrechtstreeks de papieren aangetekende zendingen zelf – bij het behandelen van papieren aangetekende zendingen, dienen nog te worden vastgelegd in een koninklijk besluit:

art. 148bis. § 1 Wet Economische Overheidsbedrijven. De aanbieders van postdiensten verbinden zich ertoe het volgende na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en, in voorkomend geval, door elke persoon die hen personeel ter beschikking stelt :

—  de essentiële eisen : de Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2011, de voorwaarden die de aanbieders van postdiensten dienen te respecteren voor de distributie en de behandeling van aangetekende postzendingen, van postzendingen met aangegeven waarde, en voor de behandeling van onbestelbare postzendingen. (…)

Wel bevat art. 142 Wet Economische Overheidsbedrijven reeds een aantal basisprincipes inzake postzendingen.  Specifieke vereisten inzake aangetekende zendingen bevat dit artikel evenwel niet.

Het juridisch kader inzake (hybride) elektronische aangetekende zendingen

Wat zijn ‘hybride elektronisch aangetekende zendingen’?

Vooraleer de nieuwe bepalingen uit de WCD te bespreken is het nuttig om kort stil te staan bij het begrip ‘hybride elektronische aangetekende zendingen’. Want wat de nieuwe bepalingen immers niet doen, is een zuiver elektronische vorm van aangetekende zending in het leven roepen. De nieuwe bepalingen in de WCD scheppen dus geen juridisch kader waarbinnen het mogelijk zou zijn om pakweg vanuit een e-mailclient of ander softwarepakket een ‘aangetekende e-mail’ of andere elektronische zending aan de bestemmeling te verzenden, waarbij de afzender een (elektronisch) bewijs van afgifte en/of van de bestelling van de zending aan de geadresseerde ontvangt, en de bestemmeling deze aangetekende communicatie zuiver elektronisch ontvangt, dit zonder enige ‘papieren tussenkomst’. Niet alleen is dit niet de bedoeling van de gewijzigde wet, bovendien is dit in het licht van de hedendaagse regelgeving niet realiseerbaar, enerzijds omdat er in tegenstelling tot de adresgegevens van in België gedomicilieerde personen en rechtspersonen – Rijksregister en Vennootschapsregister – op heden (nog) geen gecentraliseerde nationale databank bestaat met daarin de geauthentificeerde e-mailadressen van in België gedomicilieerde personen en rechtspersonen, en anderzijds omdat de nieuwe wettelijke bepalingen geen wettelijk kader scheppen voor een dergelijk ‘zuivere’ elektronisch aangetekende zending. Een dergelijke, pure elektronische zending is dus nog toekomstmuziek.

Sinds een paar jaren worden wel oplossingen van “hybride” post op de markt gebracht, zowel in België als in het buitenland. Deze oplossingen maken voor een verzender mogelijk om een schrijven, via internet of enige andere elektronische communicatie, naar het platform van een dienstverlener te versturen waarna deze dienstverlener op zijn beurt de verzending materialiseert (afdrukken, onder omslag steken, frankeren) en deponeert bij een postoperator met het oog op de verzending naar de eindgeadresseerde. Het is deze vorm van elektronisch aangetekende zendingen die de nieuwe wetgeving beoogt te regelen.

Ratio legis van de nieuwe wettelijke bepalingen

Bij de verzending van een hybride aangetekend schrijven dient de verzender evenwel minstens een afgiftebewijs van aangetekende zending te ontvangen (zoniet betreft het louter gewone post). Hier schuilt hem bij hybride elektronische aangetekende zendingen reeds een eerste juridisch probleem, nu de effectieve datum van een fysisch aangetekend schrijven de datum is waarop deze zending fysisch wordt gedeponeerd en geregistreerd bij een postoperator, en niet de datum waarop de hybride zending elektronisch wordt verstuurd naar de dienstverlener. Opdat een hybride elektronisch aangetekende zending succes zou kennen, moet minstens het elektronische ontvangstbewijs van de elektronisch aangetekende zending dezelfde wettelijke waarde krijgen als het papieren ontvangstbewijs dat door de postoperator wordt verleend.

Een tweede obstakel in de bestaande wetgeving heeft betrekking op de datum van verzending van de elektronisch aangetekende zending. Wat indien u bijv. ’s avonds om half tien een elektronisch aangetekende zending verstuurd, en deze de dag erna door de dienstverlener wordt verwerkt en pas de tweede dag erna ter post wordt aangeboden. Op welke datum is deze aangetekende zending dan verzonden? Twee mogelijke opties: hetzij de datum van elektronische verzending, hetzij de datum van fysische aanbieding bij de postdiensten. Aangezien in de praktijk de verzender, na de deponering en de validatie van zijn te verzenden elektronische briefwisseling op het platform van de dienstverlener, geen controle meer hebben op het verdere bestellingsproces,  heeft de wetgever ervoor geopteerd om de datum van verzending van een elektronisch aangetekend schrijven te bepalen op de datum van elektronische deponering en validering. Dus ook al wordt de gematerialiseerde zending later aangeboden bij de postdiensten, de brief wordt juridisch geacht te zijn verstuurd op de datum van elektronische deponering en validering. Dit weliswaar op voorwaarde van elk gebrek aan controle of manipulatie door de verzender ná elektronische deponering en validatie. M.a.w. mag de verzender geen mogelijkheid meer hebben om zijn zending nog te annuleren.

Bij de verdere afhandeling van de hybride zending schuilt tot slot een derde juridisch risco: éénmaal het elektronische luik van de hybride zending achter de rug – de verzender beschikt dus reeds over een afgiftebewijs van elektronisch aangetekende zending – moeten er voldoende garanties bestaan dat de dienstverlener daadwerkelijk de zending verder behandeld, en dat deze aangetekende zending daadwerkelijk de bestemmeling bereikt. Vandaar ook dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht om de vereisten waaraan enerzijds aanbieders van hybride elektronisch aangetekende zendingen en anderzijds de hybride elektronisch aangetekende zending zelf moeten voldoen, wettelijk vast te leggen. Deze vereisten zijn in het licht van de gelijkschakeling tussen papieren en elektronisch afgiftebewijs alsook het geven van een juridische waarde aan de datum van elektronische deponering, niet meer dan logisch.

De wetgever heeft ervoor geopteerd om de noodzakelijke wettelijke bepalingen om voormelde doelstellingen te realiseren in te lassen in de WCD, die vanaf 30/06/2011 “Wet van 09/07/2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, elektronisch aangetekende zendingen en certificatiediensten” zal heten. Volgens de Memorie van Toelichting is de bedoeling hiervan om te kunnen steunen op de reeds gekende principes inzake juridische gelijkstelling en betrouwbare dienstverlening, alsook op de procedures die reeds ontwikkeld werden door de wetgeving van 9 juli 2001, zoals accreditatie van dienstverleners en controle, zodat de reeds bestaande controle- en accreditatieinstanties gehanteerd kunnen worden om de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen.

Wijzigingen aan de Wet Certificatiediensten

Nieuwe definities: ‘elektronisch aangetekende zending’ en ‘dienst van elektronisch aangetekende zending’

Vooreerst voegt de wet van 13/12/2010 in art. 2 WCD twee nieuwe definities:

art. 2, 14° WCD. ‘elektronisch aangetekende zending’: elke dienst van elektronische gegevensoverdracht die bestaat in het waarborgen op forfaitaire basis tegen de risico’s van verlies, diefstal of beschadiging van de gegevens, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte en/of van de bestelling van de zending aan de geadresseerde;

art. 2, 15° WCD. ‘dienst van elektronisch aangetekende zending’: dienst van elektronisch aangetekende zending die wordt verleend door een certificatiedienstverlener die voldoet aan de bepalingen van bijlage V van deze wet.

Drie opmerkingen hieromtrent. Vooreerst definieert art. 2, 14° een ‘elektronische aangetekende zending‘ als een dienst. Deze definitie strookt niet met de verdere inhoud die aan dat begrip in de wet wordt gegeven, aangezien de term ‘elektronische aangetekende zending’ steevast wordt aangewend in de zin van het voorwerp van de handeling (dus als elektronische gegevensverzameling en/of op papier gematerialiseerde zending) veeleer dan als dienst. Dat deze term dan ook best wordt uitgelegd als het product van de dienst, veeleer dan de dienst zelf, blijkt eveneens uit het nieuw art. 4, §6 WCD (zie hierna) alsook uit het deel 2 van Bijlage V bij de wet, inzake de voorwaarden waaraan een hybride aangetekende zending dient te voldoen. Een interpretatie van de term ‘elektronische aangetekende zending’ als voorwerp stemt bovendien beter overeen met de term zelf, en met de verwachting die de lezer van de wet zou kunnen hebben.

Daarnaast valt de definitief van dienst van elektronisch aangetekende zending te betreuren, vooreerst omdat de te definiëren term in de definitie zelf wordt gehanteerd om deze te omschrijven. Dit is evident uit den boze. Daarenboven definieert art. 2,14 WCD de elektronisch aangetekende zending zelf  reeds als een dienst waardoor de definitie semantisch niet klopt. Tenzij men de term ‘elektronisch aangetekende zending’ als het voorwerp van de zending en niet de dienst zou gaan interpreteren.

Buitendien impliceert de definitie van een dienst van elektronische aangetekende zending dat het een dienst betreft die uitsluitend wordt verleend door een certificatiedienstverlener die voldoet aan de bepalingen van bijlage V (zie hierna). Het is een spijtige keuze om een dienst louter te definiëren als een activiteit die wordt verleend door een bepaald soort dienstverlener.  Dit is immers weinig zeggend. De wetgever had hier beter een inhoudelijk omschrijving gegeven van deze dienst, zoals hij dit in de WCD ook reeds heeft gedaan voor een elektronische handtekening. Het lijkt dan ook een gemiste kans om niet eenzelfde werkwijze te hebben toegepast zoals bij elektronische handtekeningen –  het begrip elektronische handtekening wordt op modulaire wijze gedefinieerd (gewone, geavanceerde & ‘gekwalificeerde’ elektronische handtekening) – waarbij enerzijds enkel de ‘gekwalificeerde handtekening’ uit art. 4, §4 WCD van rechtswege wordt geassimileerd met een gewone handtekening, doch anderzijds de WCD eveneens van toepassing is op de andere types van handtekeningen. Deze onvolledige definiëring van het begrip ‘dienst van elektronisch aangetekende zending’ heeft m.i. ook ongewenste gevolgen voor het toepassingsgebied van de nieuwe bepalingen, nu dit  wordt beperkt tot uitsluitend de diensten die door een certificatiedienstverlener die voldoet aan de bepalingen van bijlage V, wordt beperkt.

Verplichtingen voor de aanbieder van elektronisch aangetekende zending

Overeenkomstig de Memorie van Toelichting heeft de wetgever de bedoeling gehad om certificatiedienstverleners die een dienst van elektronisch aangetekend schrijven willen aanbieden, te verplichten om te voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in de Bijlage V van de WCD. Deze verplichting werd ingeschreven in de wet onder het nieuw art. 11, §3 WCD:

art. 11, § 3 WCD. De certificatiedienstverleners die diensten van elektronisch aangetekende zending aanbieden, moeten voldoen aan de eisen van bijlage V van deze wet.

Evenwel vervult dit artikel m.i. niet het doel dat het voor ogen heeft, dit door de ongelukkige definiëring van een ‘dienst van elektronisch aangetekend schrijven’. Ingevolge de definitie van art. 2, 15° WCD vallen enkel certificatiedienstverleners die elektronisch aangetekende zendingen versturen die in overeenstemming zijn met de Bijlage V van de wet. Art. 11, §3 WCD is bijgevolg enkel van toepassing op dergelijke ‘gekwalificeerde’ diesntverlener. Een dienst inzake hybride aangetekende zendingen die wordt verleend door een dienstverlener ander dan één die voldoet aan de Bijlage V is immers in de zin van de wet geen dienst van elektronisch aangetekende zending. Een letterlijke interpretatie van art. 2, 15° WCD en art. 11, §3 WCD leidt ertoe dat aanbieders van hybride elektronische aangetekende zendingen die – bewust of onbewust – niet voldoen aan de vereisten , niet onder de WCD vallen. Gezien deze tekortkoming in de wet is het m.i. mogelijk dat een aanbieder van aangetekende hybride postdiensten ook zonder te voldoen aan de Bijlage V, zijn diensten kan aanbieden. Te denken valt bijvoorbeeld aan ondernemingen die op aangetekende wijze betalingsherinneringen – waarbij de exacte datum van verzending minder van belang is – versturen op basis van elektronisch ontvangen gegeven, zonder afgifte van (elektronisch) bewijs van afgifte of bestelling maar met nazending van het papieren afgiftebewijs.  Het enige verschil is dat bij een dergelijke dienstverlening het assimilatiebeginsel uit het nieuw art. 4, §6 WCD, zoals hierna besproken, niet van toepassing zijn. Uit de M.v.T. valt echter af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever was om alle aanbieders van diensten inzake hybride aangetekende zending aan de wet te onderwerpen.

Indien een certificatiedienstverlener diensten wenst aan te bieden inzake elektronisch aangetekende zendingen in overeenstemming met de WCD, dient hij te voldoen aan de vereisten van Bijlage V. Deze bijlage bevat enerzijds een aantal voorwaarden waar een dergelijke dienstverlener aan moet tegemoet komen (deel 1) en anderzijds voorwaarden waaraan een hybride aangetekende zending moet voldoen (deel 2). De vaststelling dat deze bijlage beperkt is tot uitsluitend hybride aangetekende zendingen toont nogmaals aan dat het niet de intentie van de wetgever was om een zuivere vorm van elektronisch aangetekende zending in het leven te roepen.

De assimilatie tussen papieren aangetekende zending en hybride elektronisch aangetekende zending

Net zoals bij de ‘gekwalificeerde elektronische handtekening’ (art. 4, §4 WCD), voegt de wet van 13/12/2010 in de WCD een nieuwe paragraaf toe aan art. 4 WCD die in een assimilatie voorziet tussen een gewone en elektronisch aangetekende zending:

art. 4, §6 WCD. Onder voorbehoud van de toepassing van bijzondere wettelijke of reglementaire vereisten op het gebied van aangetekende zendingen wordt een elektronisch aangetekende zending geacht aan de vereiste van een aangetekende zending te voldoen.

Eén van de probleempunten bij hybride aangetekende zendingen was, zoals hoger aangehaald, de aan derden tegenwerpbare datum van verzending: is dit de datum van elektronische verzending of de datum van fysische verzending? Ook aan deze rechtsvraag komt de nieuwe WCD tegemoet:

Bijlage V, Deel 2, 4e lid WCD. De datum van de hybride aangetekende zending is de datum op het bericht van verzending bedoeld in punt g) van het eerste deel van deze bijlage, voor zover de verzending niet meer door de verzender kan gewijzigd of geannuleerd worden. De datum op het bericht van verzending bedoeld in punt g) van het eerste deel van deze bijlage, moet eveneens op of in de gematerialiseerde verzending voorkomen.

Een hybride elektronisch aangetekende zending die tegemoetkomt aan de voorwaarden van Bijlage V, deel 2 WCD, en die wordt verzonden door een certificatiedienstverlener die aan de voorwaarden van Bijlage V, deel 1 WCD voldoet, wordt qua rechtsgevolgen, en in het bijzonder datum van verzending, gelijkgesteld met een ‘gewone’ aangetekende zending.

Het aansprakelijkheidsregime van de dienstaanbieder van elektronisch aangetekende zendingen

Een bespreking van het specifieke aansprakelijkheidsregime voor aanbieders van elektronisch aangetekende zendingen valt buiten het opzet van deze bijdrage. Het volstaat hier te verwijzen naar de bepalingen van nieuw art. 14/1 WCD.

Conclusie

Vanaf 30/06/2011 – datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen – kunnen hybride elektronisch aangetekende zendingen worden geassimileerd met ‘gewone’ aangetekende zendingen, en dezelfde juridische gevolgen teweeg brengen. De datum van elektronische verzending van de boodschap wordt hierbij als de datum van verzending van de aangetekende zending beschouwd. Dergelijke assimilatie is noodzakelijk om deze vorm van aangetekende zendingen succes te laten hebben, nu bij communicaties die op termijn zijn gesteld de verzendingsdatum van groot belang kan zijn. Alleen is het spijtig dat de wetgever het toepassingsgebied van de regelgeving inzake elektronisch aangetekende zendingen op een manier heeft afgebakent die toelaat dat ondernemingen diensten inzake aangetekende zendingen aanbieden zonder aan de bepalingen van de WCD te moeten voldoen. Met oog op de rechtszekerheid genoot het immers de voorkeur om alle dienstverleners inzake elektronisch aangetekende zendingen onder het toepassingsgebied van de wet te laten vallen. Dit was weliswaar de bedoeling, maar door de gehanteerde terminologie schiet de WCD m.i. deels aan dat doel voorbij.

Over Tom Devolder
Tom behaalde in 2004 aan de Universiteit Gent zijn diploma Rechten, optie sociaal en economisch recht (grote onderscheiding). Bij het afstuderen won hij eveneens de Prijs Hof van Beroep voor beste eindverhandeling. In 2007-2008 volgde Tom de opleiding Postgraduaat Controlling & Accounting aan de Brugge Business School (www.bruggebusinessschool.be; een samenwerking tussen het VPOO en de KHBO). Van juli 2004 tot en met oktober 2009 was Tom als medewerker verbonden aan het advocatenkantoor Declerck Leterme en Partners te Harelbeke. Na een kortstondige periode zijn beroep als eenmanskantoor te hebben uitgeoefend stond hij begin 2010 mee aan de wieg van Bright advocaten. Tom legt zich voornamelijk toe op verbintenisrechtelijke en vennootschapsrechtelijke materies. Ook het financieel en economisch recht, alsook het informaticarecht zijn rechtstakken waarmee hij ervaring heeft. Tom begeleidt ondernemingen niet enkel bij (buiten)gerechtelijke procedures, maar legt zich evenzeer toe op proactieve begeleiding en adviesverlening. Tom is tevens medeauteur van het verzamelwerk Recht en Internet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: